'SEER oploopende en dangereus om met om te gaen'

Michiel van Bommel (1669-1763),
eerste textielfabrikant te Tilburg


door: Gerard van Gurp *

uit:  'Tilburg', tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 16 (1998) nr 2, 27-34

* Gerard van Gurp (1929) studeerde na zijn pensionering geschiedenis te Utrecht, waar hij in 1996 het doctoraal examen aflegde (specialiteit: sociale en economische geschiedenis). Hij is momenteel bezig met een onderzoek naar proto-industrie in de Meierij van 's-Hertogenbosch.

 

In 1729 tekende Michiel van Bommel, een Tilburgse lakenfabrikeur een contract met Geraert Huybert SmariŽn, waarbij de laatste werd benoemd tot opzichter van de werklieden die voor Michiel lakens moesten weven in zijn fabriekshuis. Dit betekende het begin van de eerste textielfabriek in Tilburg. Wie was deze Michiel van Bommel, die tot op zeer hoge leeftijd (hij werd 93 jaar) zich liet gelden?

Er is het een en ander over hem bekend, maar veel is onzeker. Volgens Van Gorp, die veel over de geschiedenis van de Tilburgse lakennijverheid heeft geschreven, zou hij een Leidse lakenkoopman en drapier geweest zijn, die zijn bedrijf naar Tilburg overplaatste omdat de lonen daar lager waren. Maar in een aantal bronnen, door Posthumus gepubliceerd, komt zijn naam daarna ook nog in Leiden voor. Over zijn persoon weten wij helemaal weinig. Wat was hij voor iemand?
In dit artikel wil ik proberen de sluier over het leven van Michiel van Bommel enigszins op te lichten en na te gaan wat voor activiteiten hij in Tilburg ontplooid heeft.
Maar eerst iets over de lakennijverheid in Tilburg aan het begin van de achttiende eeuw.

De Tilburgse lakennijverheid

Tilburg bestond uit een verzameling gehuchten, de zogenaamde herdgangen, met een inwonertal dat tijdens de zeventiende eeuw verdubbeld was van ongeveer 4000 tot 8000 zielen. Deze bevolkingsgroei was gepaard gegaan met een toenemende werkgelegenheid: de productie van wollen lakens. Onder de Tilburgse drapiers of wollewevers, die lakens vervaardigden, waren er ook die wol kochten en lakens door anderen in huisarbeid lieten maken. Zij werden kooplieden van wol en wollen lakens genoemd: het waren ondernemers, tevens handelaars. Bij de Tilburgse handelaars bevonden zich kleine drapiers, die hun eigen lakens verkochten maar ook grote voor wie vele wevers werkten. Deze wevers, die voor hun werk weversloon betaald kregen, werden reijers genoemd. Zij kregen de wol van hun opdrachtgever en lieten deze spinnen, vaak door hun vrouw. De drapiers voor wie zij werkten noemde men van lieverlee fabrikeurs. De lakennijverheid was dominant in Tilburg: slechts ongeveer een derde van de beroepsbevolking stond te boek als agrarisch, de rest beoefende een ambacht, met name in de wol.
Tijdens de zeventiende eeuw hadden de Tilburgse handelaars een uitzonderingspositie verworven in de Generaliteitslanden en hadden zij een concessie van de Staten-Generaal om van en naar de Republiek wol in te voeren en lakens uit te voeren zonder dat zij in- en uitvoerrechten hoefden te betalen. Deze concessie die aanvankelijk elke drie jaar verlengd moest worden, was in 1687 definitief geworden en een algemene regeling werd in 1725 in een Plakkaat opgenomen. Het was echter niet toegestaan om geverfde lakens uit te voeren naar Holland en naar Brabant. Wat werd uitgevoerd waren onbereide witte lakens. De verdere bereiding van de lakens werd in Holland en in Brabant gedaan. Dat verbod gold niet voor de lakens die plaatselijk of in de naaste omgeving werden afgezet.
De handel in wol en lakens verliep hoofdzakelijk via Amsterdam, maar er was ook handel met Leiden, Antwerpen en Rotterdam. De Tilburgse lakens waren goedkoop, omdat de lonen in Tilburg veel lager waren dan in Holland. De Leidse drapiers waren dan ook fel gekant tegen de invoer van deze lakens, waartegen haast niet te concurreren was. De wollenstoffenproductie in Leiden was, mede als gevolg van de concurrentie van Tilburg en Aken en andere plaatsen, aan het eind van de zeventiende eeuw aan het afnemen en de productie van lakens nam na ongeveer 1720 zelfs dramatisch af. In de achttiende eeuw kwam de zogenaamde commissionaire lakennijverheid in Tilburg op. Dit hield in dat sommige handelaars in Holland hun wol naar Tilburg stuurden en daar lakens van lieten weven, die dan weer in Holland verder bereid werden.
Tegen deze achtergrond speelde het leven van Michiel van Bommel zich af.

Michiel's jonge jaren

Over de jeugd van Michiel is weinig bekend. Hij kwam uit een omvangrijk geslacht in Dongen, waar hij in 1669 geboren werd. Hij was de oudste zoon van Jan Willems van Bommel en Maria Peters van Loon. In de bijlage zijn de namen van de leden van dit gezin opgenomen, voorzover bekend. Dongen ligt niet ver van Tilburg, wat in Michiel's jeugd al een belangrijk centrum van lakennijverheid was en dus velen uit de omgeving aantrok vanwege de werkgelegenheid. Of Michiel als jonge man in Tilburg heeft gewerkt, weten wij niet. We komen hem voor het eerst tegen in Leiden, waar hij in 1695 knecht was bij een lakenbereider. Wat hij precies deed, wordt niet vermeld, vermoedelijk was hij droogscheerder of was hij betrokken bij andere bereidingswerkzaamheden. In een verslag van een vergadering van lakenbereiders uit een aantal Hollandse steden komt zijn naam in Leiden voor als 'vrij gast', dat wil zeggen een knecht die zijn twee-jarige leertijd had volbracht. Het was niet ongebruikelijk voor jongeren van buiten Leiden om het lakenbereiden te leren in het belangrijkste centrum van de wolnijverheid in de Republiek.
In 1696 - hij was toen 27 jaar - trouwde Michiel in Tilburg met Maria van Dal, dochter van Jan Marquis (of: Marcus) van Dal, koopman van wol en wollen lakens. Misschien had hij Jan en Maria van Dal leren kennen voor hij naar Leiden ging, of wellicht deed Jan van Dal zaken met Leidse lakenbereiders. Maria was een ongehuwde moeder. Toen zij met Michiel trouwde, had zij een zoontje van vijf jaar: Johannes. Deze was verwekt tijdens een gewelddadige overval in haars vaders huis in 1690 door een ruiter van een zekere kapitein Guarrie, maar zij wist niet hoe de vader heette. Zoals gebruikelijk werd zo'n verklaring door de vroedvrouw tijdens de bevalling opgetekend uit de mond van de moeder 'in uyttersten noot' en daarna tegenover de schepenen afgelegd. De genoemde overval had te maken met de weigering van Maria's vader om een beweerde schuld te betalen. De samenleving was over het algemeen tamelijk gewelddadig. Zo had Jan van Dal, toch een gerespecteerd koopman, in 1677 de drossaard met een dolk aangevallen.
De rechten van Maria op vergoeding van de geleden schade en van de kosten van het kraambed en van de opvoeding van de kleine Johannes, werden afgekocht in een overeenkomst met kapitein Guarrie voor 1800 gulden. Michiel had het kind bij hun huwelijk aangenomen als het zijne en het droeg voortaan de naam Johannes van Bommel. Je zou je kunnen voorstellen dat Jan van Dal zijn schoonzoon wel enige financiŽle hulp heeft gegeven. Na hun huwelijkssluiting zijn Michiel en Maria op de Veldhoven gaan wonen. In deze herdgang was veel lakennijverheid te vinden. Kort tevoren was Jan van Dal overleden en de erfenis leverde hun het een en ander op. Zo verkochten zij een huis aan de Heikant, de herdgang waar Jan gewoond had en erfden zij ook een hoeve te Loon op Zand, die zij verhuurden.
Er woonde op de Veldhoven ook nog een Anthony van Bommel, dit zou wel een van Michiel's broers kunnen zijn, maar we weten weinig van hem.
Waarschijnlijk hield Michiel zich bezig met het bereiden van lakens. Dit blijkt uit een paar bewaard gebleven rekeningen uit 1698 en 1702 voor het persen van lakens en voor het bereiden van zwarte lakens. Dit bereiden zou kunnen slaan op persen, maar ook op droogscheren. In 1703 huurde hij voor de tijd van vier jaar in de herdgang Kerk en Heuvel een opkamer en dat gedeelte van een zolder, dat hij nodig had, vermoedelijk als opslagruimte. Ook huurde hij de tuin van 6 roeden, dat is ongeveer 200 m2. Deze kan hij gebruikt hebben om wol of lakens te drogen.
Omdat er in Tilburg niet zo veel lakens te bereiden waren wegens de handelsbeperkingen, was er vermoedelijk in Leiden meer te verdienen voor Michiel en hij vertrok met vrouw en kind daarheen.


De eerste Leidse periode

In 1704 kocht Michiel voor 1050 gulden contant een huis in Leiden aan de Hogewoerd (wat hij in 1713 weer verkocht) en in 1707 aan de Herengracht voor niet minder dan 8000 gulden, met een aanbetaling van 1000 gulden. Blijkbaar ging het hem voor de wind. Tijdens zijn verblijf in Leiden stichtte hij samen met Johannes de firma Michiel van Bommel en Zoon, die zich bezig hield met de productie en de handel in lakens. Zij zullen ook wel witte lakens uit Tilburg verwerkt hebben. Toen in 1718 de dan 28-jarige Johannes trouwde met Elisabeth van Anrae, een meisje uit Leiden, kreeg hij als royale huwelijksgift het ouderlijk huis aan de Herengracht. Michiel en Maria vertrokken weer naar Tilburg. Johannes voerde nu in Leiden de directie over de Leidse vestiging van de firma Michiel van Bommel en Zoon, waarmee hij fortuin maakte. Omdat hij rooms-katholiek was, werd hij echter niet geroepen tot enig bestuurlijk ambt.


De Tilburgse periode

In Tilburg terug gingen Michiel en Maria weer op de Veldhoven wonen, in een gehuurd huis. Michiel hield zich nu in Tilburg bezig met de productie van lakens. Hij stond bekend als een van de ongeveer 40 kooplieden van wol en wollen lakens, die onder andere handelden met Amsterdam. Uit het testament dat Michiel en Maria in 1721 maakten, blijkt dat zij inmiddels een behoorlijk vermogen hadden vergaard: een bedrag van 12.000 gulden zou worden nagelaten aan Michiel's bloedverwanten. Johannes zou bij overlijden van een der echtgenoten parels en een diamanten ring met een gezamenlijke waarde van ongeveer 1300 gulden erven. Daarnaast de helft van het meubilair, van 'de gereede ende uytstaende gelden en capitaele van negotie volgens de boecken daervan sijnde, wolle en wolle laeckenen, schulden, actiŽn ende crediten'. Dat Michiel tot de belangrijke Tilburgse ingezetenen was gaan behoren blijkt uit een lijst van 25 'coopluyden, gegoeden en geŽrfden', waarop ook hij voorkomt. Het betrof een klacht over de overlast van landlopers en bedelaars, die in 1719 bij het dorpsbestuur werd ingediend.
Kort na hun 25-jarig huwelijk in 1721, kwam Maria te overlijden, 54 jaar oud. Michiel bleef niet op de Veldhoven wonen, maar verhuisde in 1722 naar een gehuurd huis in de herdgang Kerk en Heuvel. Een jaar later trad hij opnieuw in het huwelijk, met de 30-jarige Maria Anna Sprongh uit Breda (op huwelijkse voorwaarden). Was zijn eerste huwelijk waarschijnlijk kinderloos, uit dit huwelijk werden tussen 1724 en 1735 acht kinderen geboren. Ook in hun testament uit 1726 worden net als in 1721 de bedrijfsgoederen en het bedrijfskapitaal genoemd. Over zijn bedrijf zijn weinig archivalia te vinden. Het enige wat ik gevonden heb was in een artikel van De Wijs. Deze had in stukken van Denijs de Jongh, een fabrikeur, gevonden dat Michiel in 1726 bij hem 50 kammen en rieten, onderdelen van het weefgetouw, kocht.
Het ging blijkbaar goed met de zaken, want Michiel liet een huis bouwen tussen de Oudedijk en de Nieuwendijk en zegde in 1726 de huur in Veldhoven op. Hij ging nu ook het bedrijf scheiden van zijn woning. In 1728 huurde hij namelijk van Cornelia de Bont, de weduwe van Floris van Heijst, een huis aan de Kerkdijk, wat een andere naam was voor de Nieuwendijk , met de voorwaarde dat hij de woning en de schuur naar eigen goeddunken mocht verbouwen om daar getouwen te plaatsen. In hetzelfde jaar kocht hij voor 450 gulden het huis er naast, ook van Cornelia de Bont. Daarbij werd bepaald dat zij in het huis in een kamertje mocht blijven wonen, terwijl Michiel haar bovendien een jaarinkomen van 40 gulden zou betalen. De afbeelding geeft de plattegrond van Kerk en Heuvel in 1737. Het huis waar Cornelia woonde, is op de kaart te vinden als nummer 29, het andere huis, later ook eigendom van Michiel, als nummer 28. Deze twee werden de fabriekshuizen. Het woonhuis van de familie was nummer 30. Michiel en Anna hadden in 1728 behalve twee meiden, ook Cornelis van Bommel, de zoon van Michiel's broer Peter, in huis. Dat was toen een jongen van 15 jaar uit Dongen, die vermoedelijk bij zijn oom het vak kwam leren. Cornelis' broer Anthony, ook uit Dongen, kwam in 1746 in het fabriekshuis wonen. Deze was toen 27 jaar. Cornelis is later naar Leiden vertrokken, Anthony werd een fabrikeur in Tilburg.
Dat het Michiel goed ging blijkt ook uit het feit dat hij in een stuk van 29 kooplieden in 1731 nu als eerste werd genoemd. Michiel had in deze tijd een zekere standing bereikt, want in acten heette hij 'voornaem coopman'. Zijn huispersoneel bestond uit twee meiden en een knecht. Hij was ook lid van de JachtsociŽteit Hubertus en hij bekleedde in 1739 het kerkmeester-regentschap van de kerk het Heike. Behalve van de fabriekshuizen en het woonhuis aan de Kerk was Michiel eigenaar van twee huizen in Oerle en Broekhoven, een in West-Heikant en een in Loven. Daarnaast bezat hij veel land.
Verdriet is hem en zijn vrouw niet bespaard gebleven. In 1728 overleden twee kleine kinderen, een van 7 weken en een van een jaar en in 1732 ook twee: een van 2Ĺ week en een van 8Ĺ jaar.


Het fabriekshuis

In 1729 waren de twee fabriekshuizen blijkbaar ingericht en sloot Michiel een contract met Geraert Huybert SmariŽn, waarbij deze voor de tijd van tien jaar werd aangesteld als meesterknecht. Zijn taak was het om te fabriceren in de 'manifacture van het wolle ambagt ende het maecken der laeckens van dien'. Hij moest opzicht houden over en leiding geven aan de andere werklieden. Zijn verdiensten bedroegen een gulden per dag en elke twee jaar zoveel bereid laken als nodig was voor een stel bovenkleding van een kwaliteit als Michiel dacht dat nuttig en dienstig was. Dit was een heel behoorlijk loon. Eten, drinken en huisvesting waren voor zijn eigen rekening, omdat hij getrouwd was en dus niet in het huis woonde.
Het heeft er alle schijn van dat Geraert SmariŽn het niet lang heeft volgehouden, want in 1731 was er een nieuwe opzichter, Adriaen Smolders, die zelf vertelde hoe hij bij Van Bommel was komen werken. Naar aanleiding van ongeregeldheden bij het fabriekshuis werd ook hij ondervraagd. Daarbij verklaarde hij 'dat Van Bommel hem in de maent van Augusty 1730 heeft ontboden door een quesel met naeme Cornelia de Bont om bij hem te koomen. En als daer was gekoomen, heeft Van Bommel voorgestelt dat in een van sijn huysen op de Dijck soude koomen woonen en dat opsigt soude neemen op acht getouwen waer voor hij soude hebben vrij huyshuer en twintig gulden sjaers. En dat Van Bommel hem vrij soude over haalen. En ingeval naer verloop van een jaer en malcanderen niet aenstaende dat hem dan weer vrij wegh soude laten brengen daer 't hem belieffden, doch dat hoopte dat het voor geen een jaer sal sijn, maer dat het voor tien en meer jaeren sal sijn, waer op den deponent dan alsoo met Van Bommel is geaccordeert, en int huys gekoomen den vijfden Augusty des voors. jaers 1730'.
Het loon van Smolders was nogal wat lager dan dat van SmariŽn, maar Smolders had vrij wonen en waarschijnlijk ook de kost.
Hij vertelde verder dat hij zijn werk steeds goed gedaan had. Maar in de week voor vastenavond gebeurde het dat hij kettinggaren voor een klant, Jan Cal, boven de kachel te drogen had gezet. Toen Michiel van Bommel dit zag, wond deze zich op en voegde Adriaen Smolders toe dat hij dat niet wilde hebben en hij gaf hem een uitbrander in aanwezigheid van alle werklieden: '"wat scheelt het mijn off jouw, off die Jan Cals een dag off vier leeg loopt", waer over hij veel scheltwoorden hem deponent toebragt, waer op den deponent seijde: "Mijn heer, waerom affronteert gij mijn voor 't volck, isser iets, segt het mijn in huys", waer over Van Bommel grammoedig wiert en hem deponent vatten, met sijn arm trock en neep, dat niet wist waer te blijven en tegens hem deponent toen seijde: "gij sult te halff april vertrecken".
Blijkbaar duurde dat Van Bommel toch te lang, misschien had hij al een opvolger. Enige dagen daarna namelijk werd Ad Smolders door de vorster aangezegd dat hij binnen twee maal 24 uur met zijn bezittingen uit het fabriekshuis, waar hij woonde, moest vertrekken, 'waer op hij dan is vertrocken om geen affronten van hem Van Bommel meer te wagten, alsoo hij seer oploopende is en dangereus om met om te gaen'.
Hoe opvliegend Van Bommel was, aldus Smolders, bleek ook uit een incident dat enige tijd daarvoor had plaats gevonden. Michiel van Bommel kwam een keer het werkhuis binnen en zag dat een van de wevers een schep in zijn handen had met vuur uit de kachel. Michiel sloeg dit meteen uit zijn handen en smeet de wever tegen een getouw aan. Tot Ad Smolders zei hij, (en Smolders zei weer dat dat gebeurde in aanwezigheid van de werklieden): als er iemand aan de kachel komt, sla ze maar een gat in de kop, ik zal het loon wel betalen en zorgen dat jij er geen schade van lijdt. Een ongemakkelijk mens.


Intermezzo: een rel bij Van Bommel's fabriekshuis

Smolders was dus ontslagen en moest op stel en sprong zijn spullen ophalen. Hij vroeg een bevriende voerman, Adriaen Vermeer, om met zijn kar en paard dat voor hem te doen. Op 9 februari in de namiddag ging men op stap. Maar het liep volledig uit de hand en eindigde in een groot tumult bij het fabriekshuis van Michiel van Bommel. Daarbij werd gevochten en er vloeide bloed. Wat was er gebeurd?
De vrienden van Ad Smolders uit de Veldhoven die verontwaardigd waren dat Van Bommel hun vriend in de winter uit zijn huis had gezet, wisten de nachtroeper Gerrit Winninck te bewegen met hen mee te gaan op de kar. Deze nam zijn klepper en hellebaard, die hij 's nachts gebruikte, mee. Op de kar zaten ook Toon Hamels en Peer Vos met een paar jongens. Ad Smolders was er zelf niet bij. Ze hadden een 'hooren en een pan, waer op bloesen en klopten' en Winninck gebruikte zijn klepper. Bij het huis van Michiel van Bommel op de Nieuwendijk aangekomen, kwam een aantal werklieden op het geraas naar buiten. Er was een pak sneeuw gevallen en de werklieden begonnen met sneeuwballen te gooien over de heg die de anderen 'soo digt op haer lijff kreegen dat niet wisten waer sij blijven souden'. De mannen op de kar reageerden door de werklui uit te schelden en in een mum van tijd was er op de dijk een vechtpartij aan de gang. De werklui waren gewapend met ronde stokken, waar wol mee gevlaakt werd, en Gerrit Winninck had zijn hellebaard. Er werd zo hard geslagen dat er bloed vloeide en de stukgeslagen stokken op straat bleven liggen. Toen Toon Hamels en Gerrit Winninck bloedend op de grond lagen, trokken de werklieden zich terug in het huis. De chirurgijn die later de gewonden verbond, beschreef de verwondingen: een open hoofdwond ter grootte van een hand en een andere ter lengte van een vinger en een halve vinger breed, doorgaande tot op het beenvlies. Ze waren flink te keer gegaan. Van het ophalen van het huisraad kwam die dag niets meer.
Michiel van Bommel, bang dat er 's nachts opnieuw trammelant zou komen, vroeg het dorpsbestuur om bescherming. In een buitengewone vergadering werd daarop besloten om een kapitein met zes man 's nachts de wacht te laten houden bij Van Bommel's huis.
Al deze verhalen laten iets zien van wat er in en om het fabriekshuis van Van Bommel omging. In de verslagen van de ondervragingen naar aanleiding van al deze gebeurtenissen staan de namen van 15 werklieden van Michiel van Bommel. Het is waarschijnlijk dat er wel wat meer werkten. Er stonden dus acht getouwen, die werden meestal door twee personen bediend. Waarschijnlijk werd de wol gewassen (het fabriekshuis stond aan een waterloop) en blijkbaar ook gevlaakt. Als men aanneemt dat het spinnen werd uitbesteed, komt men op een aantal werklieden van minstens 20.
Het ligt voor de hand dat de lakens van dit bedrijf naar Leiden gingen om daar gevold, geschoren en geverfd te worden.


De Bredase en de tweede Leidse periode

In 1744 overleed te Breda Michiel's vrouw Maria Anna Sprongh, nog slechts 51 jaar oud. Michiel, nu 75 jaar, bleef achter met vier kinderen tussen 9 en 18 jaar. Hij kocht een huis in Breda en ging er wonen. Waarom hij Tilburg verliet, is niet bekend. Zijn bedrijf kwam vermoedelijk onder leiding van een opzichter te staan. In 1751 kocht hij een huis in Leiden aan de Hooglandse Kerkgracht/Middelweg voor 8500 gulden dat hij contant betaalde. Hij ging daar wonen en opende er ook een werkplaats. Er waren er nu twee in Leiden onder de naam Michiel van Bommel en Zoon: Johannes, aan de Herengracht en Michiel aan de Hooglandse Kerkgracht. Hij werd inmiddels bijgestaan door zijn jongste zoon Martinus, die in 1751 zestien jaar was. Zoals ook door andere handelaars werd er handel gedreven o.a. met steden in ItaliŽ en Smyrna.
De relatie van Michiel met zijn beroepsbroeders in Leiden was waarschijnlijk niet echt hartelijk. Dit blijkt onder andere uit een stuk van de deken en hoofdlieden van het lakenbereidersgilde uit 1741, toen Michiel dus in Tilburg woonde. Het stuk was gericht tegen enkele kooplieden en fabrikeurs, waaronder ook Michiel van Bommel en Zoon, die goedkope lakens lieten maken in Tilburg en andere plaatsen, waardoor er in Leiden gebrek aan werk was gekomen. De lakenbereiders zeiden dat de kooplieden de mensen daar de kunst van het lakenproduceren hadden geleerd om er zelf van te profiteren. Er waren zelfs fabrikeurs die 'niet alleen sooveel moeyten en kosten hebben gedaan om de fabricq in Tilburg te perfectioneeren, maar selfs het plaisier van hun leven daaraan gesacrifieert en deeze aangenaame woonplaatz verwisselt met zoo een bedroefde als Tilburg'. Deze opmerking had klaarblijkelijk betrekking op Michiel van Bommel.
In 1756 ontstond een geschil tussen Michiel van Bommel en Gijsbert Schott, friseerder in Leiden. Deze weigerde nog langer om voor Michiel de ratijnen, die uit Tilburg kwamen, te friseren. Zijn argument was dat de ratijnen uit Tilburg goedkoop waren en als hij het toch zou blijven doen, zouden de andere kooplieden ook buiten Leiden fabriceren met als gevolg leegloop van werkvolk. De Gouverneurs van de Lakenhal waren het met Schott eens. Michiel bracht daar tegenin dat zijn ratijnen geen vreemde waren, ze waren binnenslands gemaakt en dus niet te vergelijken met die uit Aken en andere plaatsen. Het zou voor de stad juist nadelig zijn als Schott het niet meer wilde doen, want dat betekende minder werk. De Gouverneurs van de Lakenhal lieten Schott echter vrij om te beslissen wat hij wilde doen en laten. In een stuk van Van Bommel en Zoon zeiden dezen dat Leiden haar huidige bestaan met betrekking tot witte lakens alleen aan Tilburg en het Gooi te danken had en dat er in Leiden juist veel werk was omdat Van Bommel zijn stukken in Leiden liet bewerken. De toon van de correspondentie is korzelig. Zo schreven de Van Bommels over het stuk van de Lakenhal: 'Dus vals redekaveld men als drift of eigenbelang het oordeel bestierd!'. En door de Lakenhal werd over het stuk van Van Bommel en Zoon gezegd: 'onnozel, ongegrond, behelzende zo wat woorden en geen saaken, geen wederzegging waardig'. Van Bommel werd zelfs intimiderend gedrag verweten. Het lijkt er erg op dat de oppositie tegen Van Bommel vooral gericht was tegen zijn persoon.


Weer in Tilburg

Waarschijnlijk verbleef Michiel tijdens zijn tweede Leidse periode regelmatig in Tilburg, want hoewel hij in het quohier van de huizen niet als bewoner wordt vermeld, staat hij in notarisacten vaak te boek als wonende in Tilburg. In het fabriekshuis in Tilburg woonden steeds verscheidene personen, vermoedelijk inwonend personeel. Het woonhuis werd eerst bewoond door zijn dochter Jacoba Catharina en schoonzoon Cornelis Dubbeldemuts, later door een huishoudster, de weduwe van Constantinus van Beurden.
Behalve in het fabriekshuis werd in Tilburg ook in huisnijverheid voor Van Bommel gewerkt. In een verklaring die ongedateerd is, maar vermoedelijk uit de tweede helft van de achttiende eeuw stamt, staat dat op dat moment voor Michiel van Bommel en Zoon in Tilburg 50 weefgetouwen werkten.
In 1760, Michiel was toen 91 jaar, trok hij zich terug uit het bedrijf in Leiden en werd uitgeschreven uit het gilde als winkelhoudende meester. Hij droeg zijn deel over aan zijn zoon Martinus, die toen 25 jaar was. Het jaar daarvoor was Johannes gestorven, diens bedrijf werd tot 1782 voortgezet door zijn zoon Johannes jr, die toen overleed. Beide zaken waren doorgegaan onder de naam Michiel van Bommel en Zoon. Michiel ging zijn laatste levensjaar weer in zijn huis in Tilburg wonen met zijn huishoudster. Op 24 januari 1763 overleed hij, 93 jaar oud.


Naschrift

Uit het voorgaande is wel duidelijk dat Michiel een belangrijke schakel is geweest tussen de lakennijverheid in Leiden en die in Tilburg.
De fabriekshuizen aan de Nieuwendijk, die door Martinus verbouwd waren, werden in 1782 met alle fabrieksgereedschappen samen met het Leidse bedrijf en fabrieksgoederen door Martinus van Bommel verkocht aan de heren Vreede en Van Marle te Leiden. Het woonhuis ging in 1786 naar de fabrikeur en later ook lakenverver Cornelis Verbunt en in 1800 naar de fabrikeur en later burgemeester van Tilburg Martinus C. van Dooren, die er in 1809 koning Lodewijk Napoleon ontving.
Helaas zijn al deze gebouwen in de loop der tijd gesloopt.


Bijlage - Stamboom

niet op deze Site gegeven

Figuren en foto's

niet op deze Site gegeven

Noten

niet op deze Site gegeven